Zeche Friedrich Heinrich
In het hart van Kamp-Lintfort ligt een industrieel monument dat ooit het kloppend hart was van de steenkoolindustrie aan de westelijke oever van de Rijn. Zeche Friedrich Heinrich, meer dan een eeuw lang een bron van arbeid, innovatie en strijd leeft vandaag voort als cultureel ankerpunt in een getransformeerd landschap.
Wat begon als een ambitieus mijnbouwproject in het begin van de 20e eeuw, groeide uit tot een van de belangrijkste steenkoolmijnen van het Ruhrgebied. Met een kolenveld van 123 vierkante kilometer en een gangenstelsel dat zich over maar liefst 139 kilometer uitstrekte, was Zeche Friedrich Heinrich een technisch hoogstandje. De mijn werkte met drie schachten, verdeeld over twee lagen: een op 600 meter diepte en een tweede op 885 meter. Van daaruit leidde een netwerk van steengangen naar de pijlers waar het echte werk gebeurde: het winnen van kolen.
Het mijnveld Friedriech Heinrich werd oorspronkelijk uitgegeven in 1862 aan onder meer Friedrich Freiherr von Diergardt. In 1906 werd door een Franse bankgroep onder leiding van Société Générale het veld aankocht van de erfgenamen van Friedrich Heinrich Freiherr von Diergardt. Hun doel was helder: de energietoevoer voor lokale ijzerfabrieken veiligstellen. Al snel volgde de oprichting van de AG Steinkohlenbergwerk Friedrich Heinrich, en in 1907 begonnen de werkzaamheden aan een unieke dubbelschachtinstallatie, inclusief een eigen cokesfabriek—een zeldzaamheid in de regio.
Onder invloed van de industrialisatie onderging Kamp-Lintfort een ingrijpende metamorfose. Wat ooit een rustige, landelijke gemeenschap was transformeerde in hoog tempo tot een bruisend mijnstadje. De instroom van duizenden mijnwerkers en hun gezinnen bracht niet alleen bevolkingsgroei, maar ook sociale en stedelijke vernieuwing. Wijken verrezen, scholen openden hun deuren en verenigingen bloeiden op. De mijn dicteerde het dagelijkse ritme en vormde jarenlang het hart van het gemeenschapsleven. De eerste jaren verliepen niet zonder obstakels. Zo zorgde instortend drijfzand in 1909 voor vertragingen bij Schacht 1. Maar ondanks de tegenslag werd in 1910 de steenkool bereikt en rolden in 1912 de eerste wagentjes met kolen naar boven. De mijn groeide snel, zowel in productie als in omvang. Rond 1924 verwierf het Franse industriekartel De Wendel de meerderheid van de aandelen. Daarmee verstevigden ze hun grip op een mijn die steeds innovatiever werd, onder andere door de introductie van stalen stutten.
De beide wereldoorlogen lieten hun sporen na. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kampte de mijn met personeelstekort door militaire dienstplicht en werd ze onder dwangbeheer geplaatst. In 1917 kwam de mijn in handen van Rheinische Stahlwerke AG. De infrastructuur werd uitgebreid en de mijnbouwactiviteiten verdiept. Ook de Tweede Wereldoorlog ging niet ongemerkt voorbij. Bombardementen beschadigden de installaties, maar de mijn bleef functioneren. In de decennia daarna werd Friedrich Heinrich een toonbeeld van modernisering. In 1958 schreef de mijn geschiedenis door als eerste in het Ruhrgebied volledig over te schakelen op mechanische winning. De jaren '80 brachten verdere vooruitgang, waaronder de ingebruikname van het eerste RAG-controlecentrum. In 1980 brak men in de “Girondelle 1997-naad” op een diepte van meer dan 1000 meter een productiefront van vijf meter breed aan—een wereldprimeur. In maart 1983 werd hier zelfs een record gevestigd met een dagopbrengst van ruim 20.000 ton steenkool.
Op haar hoogtepunt, begin jaren '90, werkten er nog ruim 3600 mensen bij de mijn van wie tweederde ondergronds. Zelfs toen werden nog jonge mijnwerkers opgeleid—een vakmanschap dat zijn waarde leek te behouden. Maar de neergang van de Duitse steenkoolindustrie was onafwendbaar. In 2002 fuseerde Zeche Friedrich Heinrich met de nabijgelegen mijn Niederberg tot Bergwerk West. Tien jaar later, op 31 december 2012 viel definitief het doek voor de mijnbouw in Kamp-Lintfort. Voor veel mijnwerkers betekende de sluiting van de mijn meer dan het verlies van werk — het voelde als het afscheid van een levenswijze, een identiteit die diep in het ritme van de ondergrondse arbeid geworteld zat. Een tijdperk kwam ten einde, en daarmee ook een deel van wie ze waren.
De sluiting betekende echter geen einde, maar een nieuw begin. Het uitgestrekte mijnterrein kreeg een tweede leven als Zechenpark: een groen stadspark dat heden en verleden naadloos verbindt. De kenmerkende industriële gebouwen, waaronder de imposante schachttorens, werden behouden en omgevormd tot woonruimte, ateliers, onderwijsinstellingen en culturele centra. Voor de Landesgartenschau in 2020 werd het gebied grondig heringericht. Vandaag de dag wandel je door tuinen en over paden die herinneren aan het harde werken van generaties mijnwerkers. Bezoekers kunnen de schachttoren van Schacht 1 beklimmen, een bezoek brengen aan het mijnwerkershuis of het informatiecentrum betreden dat de geschiedenis van de mijn vertelt.
De ooit zo rokerige horizon is nu gevuld met kunst, cultuur en natuur. Waar vroeger kolen naar boven werden gehaald, bloeien vandaag ideeën. De voormalige mijn Friedrich Heinrich is getransformeerd tot een plek van herinnering én vooruitgang—een tastbare getuige van het industriële erfgoed van Noordrijn-Westfalen.
